Nieuws & Publicaties
Mariëlle Broekman
Advocaat
Wie moet bewijzen dat een (elektronische) handtekening (niet) vals is?
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 arrest gewezen in een zaak over een mislukte investering in agrarische projecten in Canada (ECLI:NL:HR:2026:1298). In cassatie ging het vooral over de devolutieve werking van het hoger beroep. In feitelijke instanties speelde de vraag of er gebruik was gemaakt van een volmacht met valse handtekeningen. In haar bijdrage voor het tijdschrift ‘Bedrijfsjuridische berichten’ gaat Mariëlle Broekman in op de bewijsrechtelijke gevolgen van een betwiste handtekening. De volledige digitale versie kan gevonden worden op InView (Bedrijfsjuridische berichten, Wie moet bewijzen dat een (elektronische) handtekening (niet) vals is? | InView Essential).
Meer weten over (elektronische) handtekeningen en hoe de daarmee samenhangende (bewijsrechtelijke) risico’s beperkt kunnen worden? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Mariëlle Broekman
Advocaat
Productaansprakelijkheid in een nieuw jasje
Na meer dan 40 jaar wordt de richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn 85/374/EEG) met ingang van 9 december 2026 ingetrokken. Zij blijft van toepassing op producten die vóór die datum in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Maar daarna gaat de nieuwe richtlijn inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten (Richtlijn (EU) 2024/2853) gelden. In hun bijdrage voor het online ledenmagazine van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen bespreken Mariëlle Broekman en Rachel de Jong de belangrijkste veranderingen. De digitale versie met werkende hyperlinks kan gevonden worden via Artikel | NGB extra – La Gro – Productaansprakelijkheid in een nieuw jasje.
Meer weten over productaansprakelijkheid en hoe de daarmee samenhangende risico’s beperkt kunnen worden? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Anke van de Laar
Advocaat
Last onder dwangsom ter handhaving van de Wet openbare manifestaties niet mogelijk
In twee uitspraken van 30 september 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat de burgemeester van Haarlem niet bevoegd was om ter handhaving van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties (Wom) aan demonstranten op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen. Volgens de Afdeling kent de Wom – kort gezegd – een uitputtend stelsel van regels en bevoegdheden rondom manifestaties en maakt de bestuursdwangbevoegdheid hiervan geen onderdeel uit.
Achtergrond
Op 1 oktober 2022 heeft een demonstratie van Extinction Rebellion plaatsgevonden in een Albert Heijn in Haarlem. Op 17 oktober 2022 heeft een demonstratie van Extinction Rebellion plaatsgevonden in het provinciehuis, eveneens in Haarlem. Omdat de demonstranten geen gehoor hebben gegeven aan het verzoek van de manager van de Albert Heijn en de locatiemanager van het provinciehuis, heeft de burgemeester van Haarlem aan de demonstranten een last onder dwangsom opgelegd op grond van de algemene herstelsanctiebevoegdheid uit artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De last hield kort gezegd in dat de betogers een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wom. Bij niet-naleving verbeuren de betogers een dwangsom van € 1.000,00.
De burgemeester is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in. In hoger beroep voert de burgemeester aan dat hij bevoegd was om de lasten onder dwangsom op te leggen op grond van de artikelen 5:4 en 5:32 van de Awb en artikel 125 van de Gemeentewet. Als burgemeester is hij belast met de bescherming van de openbare orde en mag hij daarom op grond van artikel 125 herstelsancties opleggen om naleving van de Wom te verzekeren. Het is volgens de burgemeester niet vereist dat zijn herstelsanctiebevoegdheid ook in een andere, specifieke wet is vermeld.
Oordeel Afdeling
De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval een beperking van het betogingsrecht is. Volgens de burgemeester is dit niet het geval, omdat de last onder dwangsom slechts zou dienen ter handhaving van de opdracht die hij in de toekomst aan betogers op niet-openbare plaatsen kan geven om uiteen te gaan. De Afdeling gaat daar niet in mee en oordeelt dat betogers door de preventieve last onder dwangsom minder snel geneigd zullen zijn om van hun betogingsrecht gebruik te maken. Zij voegt hieraan toe dat het aannemelijk is dat deze last daarom een zogeheten ‘chilling effect’ heeft. In zoverre is hun betogingsrecht dan ook beperkt.
De Afdeling oordeelt vervolgens dat de burgemeester niet bevoegd is om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van artikel 8 van de Wom. Hiertoe overweegt de Afdeling dat beperking van het betogingsrecht enkel mogelijk is als dit gebeurt ter bescherming van de in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet genoemde doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en/of ter voorkoming van wanordelijkheden. Daarnaast kent de Wom een uitputtend systeem van verschillende bepalingen waarin de burgemeester een bevoegdheid is toebedeeld om beperkingen te stellen aan het betogingsrecht, als hij motiveert dat dit noodzakelijk is ter bescherming van de hiervoor genoemde doelcriteria.
Nu artikel 125 van de Gemeentewet de doelcriteria uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet niet noemt en de Wom daarnaast geen artikel bevat waarin een bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd, is de burgemeester volgens de Afdeling niet bevoegd om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet beperkingen te stellen aan het betogingsrecht.
Ten overvloede merkt de Afdeling op dat een last onder dwangsom niet kan worden opgelegd voor een toekomstige overtreding die op dat moment nog geen overtreding is.
Lessen voor de praktijk
Demonstreren is een grondrecht. De Wom kent een uitputtend stelsel voor het stellen van beperkingen aan een demonstratie. Als een burgemeester beperkingen wil stellen aan een demonstratie, dan dient dat te worden gedaan binnen het instrumentarium dat de Wom biedt. Meer weten over de Wom of over (on)mogelijkheden om demonstraties te beperken? Neem dan contact op met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of een van de andere leden van het team Overheid.
Arnout Koeman
Advocaat
Nieuwe EU-spelregels voor grote bedrijven: wat betekenen de richtsnoeren machtsmisbruik voor u?
Op 3 september 2026 heeft de Europese Commissie nieuwe richtsnoeren gepubliceerd over hoe zij omgaat met grote bedrijven die hun marktmacht misbruiken om concurrenten buiten spel te zetten. Na een proces van drie jaar, met uitgebreide consultaties van bedrijven, academici en overheden, liggen er nu heldere spelregels op tafel. Voor iedereen die zaken doet in de EU zijn deze richtsnoeren van belang.
De achtergrond
Stel u eens voor: één bedrijf is zo groot en machtig in een bepaalde markt dat concurrenten nauwelijks een eerlijke kans hebben om te groeien of zelfs toe te treden. Dat is wat mededingingsrecht probeert te voorkomen. De Europese regels verbieden dit al een lange tijd: artikel 102 van het EU-Verdrag bepaalt dat een bedrijf met een dominante positie die machtspositie niet mag misbruiken om anderen uit de markt te dringen. Maar wat precies onder “misbruik” valt, was jarenlang omstreden.
De Commissie hanteerde tot nu toe een document uit 2008 als leidraad, dat inmiddels niet meer goed aansloot bij de hedendaagse praktijk met grote technologiebedrijven en digitale platforms. Dat document wordt nu ingetrokken en vervangen door de nieuwe richtsnoeren.
Wat verandert er?
De nieuwe richtsnoeren leggen voor het eerst op een samenhangende manier uit hoe de Commissie beoordeelt of een bedrijf dominant is en of het zijn positie misbruikt om concurrenten te verdringen. Een aantal zaken springt in het oog.
Wanneer is een bedrijf “dominant”? Een bedrijf dat meer dan de helft van een markt in handen heeft, wordt al snel als dominant beschouwd. Maar ook bij kleinere marktaandelen, soms zelfs onder de veertig procent, kan sprake zijn van een dominante positie. Dit is bijvoorbeeld het geval als klanten sterk afhankelijk zijn van dat bedrijf of als het voor concurrenten praktisch onmogelijk is om toe te treden tot die markt.
Wat is verboden gedrag? De richtsnoeren beschrijven concrete vormen van misbruik: roofprijzen (zo laag prijzen dat concurrenten failliet gaan), exclusieve dealingafspraken (klanten verplichten om uitsluitend bij het dominante bedrijf te kopen), het weigeren leveringen te doen aan concurrenten en koppelverkoop. Nieuw is ook expliciete aandacht voor gedrag dat van nature schadelijk is voor concurrentie, zoals het actief ontmantelen van infrastructuur waarop een concurrent vertrouwt, waarbij de Commissie vrijwel geen rechtvaardiging meer hoeft te bewijzen.
Wanneer is gedrag toch toegestaan? Een dominant bedrijf kan zich verweren door aan te tonen dat zijn gedrag objectief noodzakelijk is of dat de voordelen voor consumenten opwegen tegen de nadelen. Die lat ligt hoog: hoe groter de marktmacht, des te overtuigender het bewijs moet zijn.
Belang voor de praktijk
De nieuwe richtsnoeren zijn in de eerste plaats bedoeld om duidelijkheid te scheppen. Wie als grote marktspeler actief is in Europa, doet er goed aan zijn commerciële strategie hieraan te toetsen. Zaken als kortingstructuren voor grote afnemers, exclusiviteitsafspraken met distributeurs of het weigeren van toegang tot eigen infrastructuur kunnen nu aan een duidelijker kader worden getoetst.
Voor kleinere bedrijven en nieuwe toetreders biedt de publicatie juist een kapstok: als u vermoedt dat een grote speler u de markt uitdringt, geven de richtsnoeren handvatten om een klacht bij de Commissie of de nationale mededingingsautoriteit te onderbouwen. Ook nationale rechters kunnen de richtsnoeren als referentiepunt gebruiken.
De Commissie benadrukt overigens dat de richtsnoeren uitsluitend zien op gedrag dat concurrenten buitensluit. Misbruik dat consumenten rechtstreeks schaadt — zoals buitensporig hoge prijzen — valt buiten de huidige richtsnoeren; de Commissie houdt zich het recht voor om daar op een later moment aparte richtsnoeren over te publiceren. Ook heeft het Hof van Justitie van de EU het laatste woord over de uitleg/invulling van de begrippen genoemd in de nieuwe richtsnoeren.
Heeft u vragen over de nieuwe richtsnoeren of wilt u weten wat deze voor uw onderneming of sector betekenen? Neem contact op met Arnout Koeman, Monika Beck of één van onze andere Mededinging en EU specialisten.
Marleen van den Horst
Advocaat
NL Provisions Judge: pharmacy exemption for semaglutide not applicable
On 5 August 2026, the Provisions Judge of the District Court of The Hague (“Provisions Judge”) rendered his decision in the PI proceedings initiated by Novo Nordisk A/S (“Novo Nordisk”) against Ceban Ziekenhuisfarmacie B.V. (“Ceban”). Novo Nordisk was granted a preliminary injunction against Ceban for infringing its SPC 300936 (“SPC 936”) for semaglutide. Ceban had compounded and supplied a semaglutide-containing nasal spray under the name Semanova. According to the Provisions Judge, the pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act (ROW 1995) must be construed narrowly. It applies only where medical necessity for an individual patient is demonstrated. It does not cover structural or large-scale compounding of patented medicines.
What preceded
Novo Nordisk is the holder of SPC 936 for the product semaglutide, based on EP 1 863 839 (“EP 839”). EP 839 covers the active ingredient semaglutide and expired on 20 March 2026. SPC 936 is valid until 19 March 2031. Novo Nordisk markets several products containing semaglutide in the Netherlands: Ozempic® for type 2 diabetes and Wegovy® for obesity, both as once-weekly subcutaneous injections, and Rybelsus® for type 2 diabetes in tablet form.
Ceban, a pharmacy, compounded a semaglutide-containing nasal spray under the name Semanova in 2025, without a marketing authorisation and without Novo Nordisk’s permission. Ceban supplied 44 nasal sprays, partly on prescription to its own patients and partly to other pharmacies. It also listed Semanova in the G-standaard, the Dutch pricelist. In total, Ceban imported 600 grams of semaglutide from a Chinese supplier, sufficient for 15,000 vials.
After Novo Nordisk’s cease-and-desist letter and the writ of summons, Ceban stopped supplying the nasal spray. Shortly thereafter, a Ceban employee gave a presentation at a pharmacists’ conference in Porto entitled “Semaglutide nasal spray: a Novel Compounded Formulation”, including a slide headed “Where did we get the idea from?”
Pharmacy exemption – assessment
Since the validity of EP 839 and SPC 936 was not contested, the key question was whether Ceban could rely on the pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act, which was introduced into the Dutch Patent Act in February 2019.
The Provisions Judge first clarified that the regulatory pharmacy exemption is not the same as the (patent-law) pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act. The regulatory exemption concerns an exception to the requirement of obtaining a marketing authorisation, which serves to protect public health and
the quality, safety and efficacy of medicines, in order to safeguard the availability of necessary medicines for individual patients. The pharmacy exemption based on article 54c(e) of the Dutch Patent Act, by contrast, concerns an exception to the exclusive rights of the patentee. Therefore, even if a pharmacy preparation were to fall within the regulatory pharmacy exemption, this does not automatically entail that the requirements of the pharmacy exemption based on patent law are met.
The Provisions Judge held that article 54c(e) of the Dutch Patent Act is an exception to the exclusive rights of the patentee, which must be construed narrowly. Its rationale lies in public health: it applies only where there is a medical necessity, e.g. where an individual patient requires a dosage or method of administration that is not available in the patentee’s authorised medicinal product. The exception does not allow a pharmacy to compound a patented medicine on a structural scale without the patentee’s consent.
The Provisions Judge considered that supplying the nasal sprays to other pharmacies, keeping them in stock for that purpose and listing Semanova in the G-standaard fell outside the scope of the pharmacy exemption. The listing in the G-standaard was specifically considered an act of offering, reserved to the patent holder.
As regards Ceban’s own patients, the Provisions Judge found that Ceban had not made sufficiently plausible that there was an unmet medical necessity. Ceban stated that the nasal spray had been developed for patients with a fear of needles, but did not explain why the individual patients concerned had such a fear or why off-label prescribing of Rybelsus®, Novo Nordisk’s semaglutide tablet, would not have been sufficient.
The Provisions Judge considered that Ceban’s conduct pointed towards structural and potentially large-scale use. In particular, the Court referred to Ceban’s presentation in Portugal, the import of 600 grams of semaglutide, sufficient for 15,000 vials, the listing in the G-standaard and the use of the brand name Semanova. These circumstances were difficult to reconcile with Ceban’s position that the nasal spray was prepared only for individual patients on the basis of medical necessity.
The Provisions Judge therefore held that Ceban could not rely on the pharmacy exemption and ordered Ceban to cease its infringement of SPC 936 in the Netherlands.
Conclusion
The decision confirms that the pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act is distinct from the regulatory pharmacy exemption. It also points out that the exemption based on the Dutch Patent Act is construed narrowly and does not cover structural or large-scale compounding without demonstrated medical necessity for individual patients.
Pieter van den Oord
Advocaat
La Gro adviseert Ausnutria bij verkoop minderheidsbelang in Amalthea Group aan Royal A-ware
La Gro heeft Ausnutria geadviseerd bij de verkoop van een minderheidsbelang in Amalthea Group aan Royal A-ware. Ausnutria verkoopt daarbij een belang van 35% in Amalthea, producent van geitenkaas, andere geitenzuivelproducten en biologische koekaas, aan Royal A-ware en blijft meerderheidsaandeelhouder.
Met de verkoop van het minderheidsbelang en de strategische samenwerking beoogt Ausnutria de verdere versterking van de positie van Amalthea in de geitenzuivelmarkt en wordt volgens partijen een solide basis gelegd voor toekomstige groei en innovatie. Binnen de samenwerking blijft Ausnutria verantwoordelijk voor de verwerking van hoogwaardige wei-eiwitten, een belangrijk ingrediënt voor babyvoeding, terwijl Royal A-ware zich richt op de nationale en internationale vermarkting van geitenkaas en biologische geitenkaas. Daarnaast investeren beide partijen gezamenlijk in de verdere ontwikkeling en uitbreiding van de kaasfabriek van Amalthea.
Ausnutria benadrukt het strategische karakter van de transactie. Bart van der Meer, executive director van Ausnutria, lichtte toe: “This collaboration fits seamlessly with our strategic direction and contributes to a future-proof goat dairy supply chain.”
Contact
Voor meer vragen kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord, Casper Schnepper, Reinoud van Ginkel, of een van onze andere specialisten van team Fusies & Overnames. Zij staan u graag te woord.
Uitdagingen omzetten in kansen
Wij zijn La Gro. Advocaten sinds 1902 en voorheen bekend als La Gro Geelkerken Advocaten. Als onafhankelijk full service advocatenkantoor leveren wij een duurzame bijdrage aan het succes van onze cliënten.
Onze dienstverlening gaat verder dan zaken winnen en geschillen oplossen. Wij zijn een strategisch partner voor onze cliënten en nemen graag de verantwoordelijkheid voor het integreren van alle juridische aspecten en processen.